Oefentheorie.be
FR
LessenManoeuvres en bijzondere wegen

Manoeuvres en bijzondere wegen

Keren, achteruitrijden, op- en afritten, tunnels en overwegen.

Een manoeuvre uitvoeren

Bij elk manoeuvre geldt dezelfde ketting: spiegels — dode hoek — richting aangeven — uitvoeren. En: je geeft voorrang aan iedereen.

Manoeuvres zijn onder andere van rijstrook veranderen, keren, achteruitrijden, wegrijden van de kant van de weg, en een inrit of een erf verlaten.

OnthoudRichting aangeven is geen toelating om te gaan. Het is een aankondiging.
1 / 7

7 dia's

Manoeuvres en bijzondere wegen — de hele les als tekst

Dezelfde les om in één keer door te lezen of af te drukken. Wil je ze dia per dia doornemen, gebruik dan de knoppen hierboven.

Een manoeuvre uitvoeren

Bij elk manoeuvre geldt dezelfde ketting: spiegels — dode hoek — richting aangeven — uitvoeren. En: je geeft voorrang aan iedereen.

Manoeuvres zijn onder andere van rijstrook veranderen, keren, achteruitrijden, wegrijden van de kant van de weg, en een inrit of een erf verlaten.

Onthoud: Richting aangeven is geen toelating om te gaan. Het is een aankondiging.

Achteruitrijden en keren

Achteruitrijden mag, maar alleen over een korte afstand en als het niet anders kan. Op een autosnelweg en autoweg is het verboden. Je moet iemand laten uitstappen om je te helpen als je het zicht niet hebt.

Keren mag niet: - waar een keerverbod of een verbod om links af te slaan staat; - op een autosnelweg of autoweg; - op een overweg; - waar je het zicht niet hebt, zoals net na een bocht of op een heuveltop; - over een doorlopende streep.

Op- en afritten

Op de oprit gebruik je de volledige invoegstrook om je snelheid aan te passen aan het verkeer op de rijbaan. Je hebt geen voorrang: je moet een gat zoeken.

Op de afrit rem je pas af als je de rijbaan verlaten hebt. Vertragen op de rijbaan zelf zorgt voor kettingbotsingen.

Borden bij deze dia: Begin van de autosnelweg, Einde van de autosnelweg.

Opgelet: Een invoegstrook die eindigt in een doorlopende streep betekent: je moet er vóór dat punt af zijn.

Tunnels

- Dimlicht aan, altijd, ook bij daglicht. - Zonnebril af en radio op de verkeersinformatie. - Afstand houden: in een tunnel is er geen ontsnappingsruimte. - Bij file: waarschuwingslichten aan en afstand houden. - Bij brand of stilstand: motor af, sleutel laten zitten, uitstappen en te voet naar de dichtstbijzijnde nooduitgang. Keer nooit om in een tunnel.

Borden bij deze dia: Tunnel.

Overwegen

De regels bij een overweg zijn absoluut:

- Stop zodra de lichten knipperen, de bel klinkt, de slagbomen bewegen of een gemachtigde je dat aangeeft. - Rij nooit op een overweg als je er niet in één keer over kunt. - Niet keren, niet achteruitrijden en niet stilstaan op een overweg. - Blijf je toch vast zitten: iedereen uit het voertuig en bel het nummer dat op de overwegkast staat.

Borden bij deze dia: Overweg met slagbomen, Overweg zonder slagbomen, Andreaskruis (spoor).

Erf, schoolomgeving en voetgangerszone

In een woonerf mag je 20 km/u. Voetgangers mogen de hele breedte van de weg gebruiken en kinderen mogen er spelen. Parkeren mag alleen op de aangeduide plaatsen.

In een schoolomgeving geldt 30 km/u.

In een voetgangerszone mag je in principe niet rijden; een onderbord kan uitzonderingen geven, bijvoorbeeld voor leveringen op bepaalde uren. Je rijdt er stapvoets.

Borden bij deze dia: Begin woonerf, Begin zone 30, Begin voetgangerszone.

Hulpdiensten en bijzondere voertuigen

- Prioritair voertuig met blauw zwaailicht én sirene: je maakt vrije doorgang, zo nodig door te stoppen of op te schuiven. Je mag daarvoor niet door het rood rijden. - Werfvoertuigen en strooiwagens met oranje zwaailicht: geef hen ruimte, haal ze niet krampachtig in. - Een colonne mag je niet doorbreken. - Landbouwvoertuigen rijden traag en zwenken breed uit; blijf achter tot je zeker bent.

Oefen manoeuvres