Oefentheorie.be
FR
LessenVerkeerslichten en signalen

Verkeerslichten en signalen

Van rood licht tot de armen van een agent: wie regelt wat, en in welke volgorde.

De rangorde

Als aanwijzingen elkaar tegenspreken, geldt deze volgorde van sterk naar zwak:

1. Een bevoegd persoon (politieagent, wegkapitein, werfleider); 2. Verkeerslichten; 3. Verkeersborden; 4. Wegmarkeringen; 5. De algemene verkeersregels.

Een agent die je doorwijst terwijl het licht rood is, gaat dus voor op dat licht.

OnthoudMens boven licht, licht boven bord, bord boven streep, streep boven regel.
Even nakijken

Het verkeerslicht staat op rood, maar een politieagent wenkt je door. Wat doe je?

1 / 6

6 dia's

Verkeerslichten en signalen — de hele les als tekst

Dezelfde les om in één keer door te lezen of af te drukken. Wil je ze dia per dia doornemen, gebruik dan de knoppen hierboven.

De rangorde

Als aanwijzingen elkaar tegenspreken, geldt deze volgorde van sterk naar zwak:

1. Een bevoegd persoon (politieagent, wegkapitein, werfleider); 2. Verkeerslichten; 3. Verkeersborden; 4. Wegmarkeringen; 5. De algemene verkeersregels.

Een agent die je doorwijst terwijl het licht rood is, gaat dus voor op dat licht.

Onthoud: Mens boven licht, licht boven bord, bord boven streep, streep boven regel.

Rood, oranje, groen

- Rood: stoppen vóór de stopstreep, of als die er niet is, vóór het licht. - Oranjegeel: stoppen, tenzij je al zo dicht bent dat stoppen niet veilig kan. - Groen: doorrijden, maar alleen als je het kruispunt kunt vrijmaken en voor zover je de voetgangers en fietsers die al oversteken niet hindert. - Knipperend oranjegeel: je mag doorrijden, maar wees voorzichtig; de lichten regelen het kruispunt niet. Dan gelden de borden, of de voorrang van rechts.

Opgelet: Door rood rijden is een van de zwaarste overtredingen in het verkeer én op het examen.

Pijlen en bijzondere lichten

- Een groene pijl laat je in die richting rijden, ook als het ronde licht rood is. Je moet dan wel voorrang geven aan het verkeer dat met groen uit een andere richting komt. - Een oranje pijl betekent dat je die richting mag verlaten als het veilig kan. - Rijstrooklichten boven de rijbaan: een groene pijl naar beneden betekent dat de strook open is, een rood kruis dat ze gesloten is, een schuine pijl dat je ze moet verlaten. - Een wit licht in de vorm van een B is bedoeld voor bus en tram.

Lichten voor voetgangers en fietsers

Voetgangerslichten gelden alleen voor voetgangers. Knipperend groen betekent: haast je, het wordt rood; wie al op de rijbaan is, mag doorsteken.

Naast een gewoon verkeerslicht kan een klein driehoekig bordje hangen dat fietsers en bromfietsers klasse A toelaat om bij rood rechts af te slaan of rechtdoor te rijden. Zij moeten dan wel iedereen laten voorgaan.

Borden bij deze dia: Fietsers mogen rechtsaf door het rode licht, Fietsers mogen rechtdoor door het rode licht.

De armen van de agent

- Arm omhoog: stoppen voor iedereen die hem nog niet voorbij is. - Armen horizontaal zijwaarts: wie van voor of van achter komt, moet stoppen; wie van de zijkant komt, mag door. - Een arm die naar je zwaait: je mag of je moet doorrijden.

Ook de bestuurder van een voertuig van de politie die je een stopteken geeft met een rood licht of een schijf, moet je volgen.

De lichten van je eigen voertuig

- Dimlicht gebruik je 's nachts en bij slecht zicht; ook in een tunnel, altijd. - Grootlicht gebruik je buiten de bebouwde kom als er geen tegenligger of voorligger is; je dimt zodra je iemand ziet aankomen. - Dagrijlichten zijn geen dimlicht: bij regen of schemer zet je je dimlicht aan, zodat ook je achterlichten branden. - Mistlicht achteraan mag alleen bij mist of sneeuwval met een zicht van minder dan 100 meter. Vergeet het niet uit te zetten: het verblindt. - Waarschuwingslichten gebruik je bij een defect, bij een file of om te waarschuwen voor een gevaar.

Onthoud: Zichtbaar zijn is belangrijker dan zelf zien. Bij twijfel: licht aan.

Oefen lichten